|
|
Reisverslag Zuid-Amerika 2005-2006 door Claudia en PJ Potgieser |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een jaar met de camper door Zuid-Amerika
Chili
De volgende morgen zijn we al vroeg wakker en schuiven aan de grote
ontbijttafel. Daar is diezelfde jongen weer.
Vandaag willen we langs bij onze verschepingsagent. PJ heeft onze
agente in Baltimore bijna elke week gemaild om te vragen of ons
schip nog steeds volgens schema vaart. Steeds beaamde zij dit.
Voor een afgesproken prijs van 70.000 pesos (100 Euro) staat er een
kwartier later een auto met chauffeur voor ons klaar. Freddy spreekt
geen Engels, maar wij proberen hem duidelijk te maken dat er al een
prijs is afgesproken. We hopen er maar het beste van. We gaan niet
meer onze koffers ophalen in het B&B, zodat we geen tijd verliezen.
Freddy weet waarschijnlijk dat wij haast hebben, want hij scheurt
met 80 kilometer per uur door de drukke stad. Af en toe wrijft hij
even over het houten kruisje dat aan zijn spiegel hangt. God zij met
ons….toch?
Op het parkeerterrein van het verschepingskantoor nemen we afscheid van Fernandez en PJ betaald Freddy het afgesproken bedrag, die hier erg tevreden mee is. Het is ondertussen al bijna donker en PJ wil niet in het donker naar Santiago rijden. We snellen naar een supermarkt waar we iets te eten kopen en om 7 uur ’s avonds zit ik achter een dampende kop soep. PJ kan van de zenuwslopende middag nog steeds geen hap door zijn keel krijgen. We hebben een onrustige nacht op het parkeerterrein, waar tot 5 uur ’s morgens een disco staat te blčren.
De volgende morgen zijn we al om 6 uur klaarwakker, maar het is nog
te donker om al te gaan rijden. We poetsen 4 weken vuil van de
autoruiten en rommelen wat tot het licht genoeg is om te gaan
rijden. Het kost even moeite om de havenstad uit te komen en over de
tolweg rijden we naar de hoofdstad. Ik loods PJ door Santiago en 2
uur later rijden we het smalle straatje van ons B&B in. Er
tegenover zijn nog twee vrije parkeerplekken, waar ons enorme
voertuig maar net inpast. We zouden nog op tijd voor het ontbijt
zijn en een snelle douche zou ook wel lekker zijn, maar dat loopt
anders. Als PJ onze bagage in de camper aan het zetten is, wordt hij
uitgescholden door een overbuurvrouw die uit het raam hangt en
dreigt de politie te bellen. Ze spreekt vloeiend Duits, maar dat kan
PJ ineens ook. 20 augustus - 8 september 2005
Negen dagen laten we ons lekker verwennen bij Gerard en Monique. Dit Vlaardingse stel hebben wij in 2001 voor het eerst ontmoet in Fish Creek, Alaska (waar ook anders?). Ze hadden hun Nederlandse Mercedesbus verscheept naar Canada en waren op weg naar Vuurland, Chili. In Mexico spraken we weer af en reisden samen over het Mexicaanse schiereiland Baja California. Na zes weken namen wij afscheid en zij reisden verder naar het zuiden.
Gerard (46) werkt voor een tuinbouwbedrijf dat zaden van perkplanten vermeerderd, potgrond maakt van turf dat ze in het zuiden van Chili afsteken en plantenvoeding maakt. Werken op zaterdagmorgen is in Chili nog steeds gebruikelijk, dus Gerard’s weekend is niet zo lang. Monique (40) was longfunctieassistente en studeerde voor anesthesist, maar heeft nu haar handen nog vol aan het runnen van het huishouden. In die negen dagen krijgen we een beetje een indruk hoe het leven in Chili toegaat. Allereerst is er natuurlijk de taal. Monique spreekt al een aardig mondje Spaans. Zij krijgt twee keer in de week privéles en heeft tijdens het reizen door Spaanstalige landen al aardig wat opgepikt. Dit demonstreert zij als zij voor ons een Chileense autoverzekeringsmaatschappij belt en er lustig op los babbelt. Helemaal onder de indruk raken we als we met haar naar een doe-het-zelf zaak gaan, alleen is deze wel met een grote balie, waar je naar de gewenste artikelen kunt vragen. Purschuim, verfrolletjes, voegsel, nee geen wit, maar grijs, schoenenlijm, en zo ratelt Monique maar door. De man achter de balie kijkt steeds met een schuin oog naar PJ. Hij begrijpt niet dat PJ ‘zijn vrouw’ het woord laat doen en zelf niets zegt. Dat is in dit macholand niet gebruikelijk. PJ houdt zich wijselijk afzijdig. Tevreden komen we met een tas vol spullen terug, maar helaas komt de klusjesman die een badkamer zou verbouwen niet opdagen. Dat is ook weer typisch voor deze Zuid-Amerikaanse landen. PJ helpt Monique een beetje uit de brand door allerlei kleine klusjes te doen zoals schilderijtjes en planken ophangen.
Aardschokken komen hier regelmatig voor. De eerste keer dat we hier
een kleine aardbeving meemaken is dat wel even schrikken, maar de
grotere beving om 5 uur ’s morgens maakt ons niet eens wakker. Als
wij slapen, worden we nergens van wakker, denken we dan nog, maar
dat blijkt later toch niet zo te zijn.
Monique en Gerard nemen ons mee naar een groot winkelcentrum. We
hadden het niet verwacht, maar het ziet er net zo uit als een
Amerikaanse mall. Het enige grote verschil is dat hier overal
gerookt mag worden. Ook de Jumbo supermarkt, de naam zegt het al,
verkoopt werkelijk alles. We kopen flink in voor onze reis naar
Peru, want daar schijnt het allemaal wat moeilijker verkrijgbaar te
zijn. Ook hier kun je een sigaretje opsteken in het middenpleintje
waar ook koffie geschonken wordt. Als we bij hen de poort uitrijden, gaat dat maar net. We merken niet dat door het schudden een raam geraakt is en dat die gebroken is. Daar komen we pas achter bij de eerstvolgende stop. Gelukkig was het al een vervangend raam dat van plastic was en ligt de camper nu niet vol glas. Met duct-tape plakken we het raam weer aan elkaar, lang leve het plakband.
Door een woestijnlandschap en langs een woeste blauwe zee rijden we naar het noorden. Alleen de eerste nacht slapen we op een camping, om er weer een beetje in te komen, maar de volgende twee nachten vinden we het veilig genoeg om op het strand te overnachten.
Iquique is een grote havenstad, maar het bijzondere is dat de stad achter een enorm zandduin gebouwd is. Wat zullen ze moeten stofzuigen na een windstorm!
Als we een route door de bergen rijden, zien we overal kruisjes
langs de weg van verongelukte automobilisten. En als we een bus op
zijn kant zien liggen die frontaal gebotst is op een vrachtwagen,
wordt het allemaal erg realistisch. De laatste nacht nemen we toch een camping, omdat we niet in een grensplaats vrij willen kamperen. De campingeigenaar is een 45-jarige macho, die mij enthousiast op de wang kust! Oeps, dat is iets te familiair voor mij, maar het schijnt in Chili heel normaal te zijn. De beloofde warme douche blijkt een koud flut straaltje te zijn. De grens met Chili zijn we in drie kwartier over, maar we moeten wel eerst een formulier in viervoud invullen. Eén van de formulieren wordt in Peru gebruikt; wij zijn er verbaasd over dat ze zo efficiënt met elkaar samenwerken!
Peru
Peru loopt een uur achter, dus verzetten we de klok en gaan op tijd
naar bed.
Maar de straatjes worden steeds smaller en als we op een pleintje vanwege de eenrichtingsstraatjes nog maar één kant op kunnen, rijdt PJ vol gas een steil straatje omhoog. Daar lopen we hopeloos vast in een bocht. Het lijkt wel of er geen power in de motor zit. Als de omstanders beginnen te fluiten, zien we wat er gebeurd is. Een van de opkrikpalen van de camper is losgeschoten en is klem komen te zitten op de straat en heeft de achterkant van de camper helemaal opengescheurd!
Met hulp van vriendelijk Peruanen schroeft PJ de omgebogen paal los en als ze ons dan ook nog duwen, komen we wel het volgende straatje omhoog. Net voordat we een wat bredere straat bereiken, komt de camper weer vast te zitten! Zwarte rookwolken komen uit de uitlaat en hoe PJ ook op het gaspedaal trapt, er zit geen beweging in. Uiteindelijk komen we ook hier weer los. Een politieagent maakt zich zorgen over de grote hoeveelheid mensen die zich om onze camper verzameld heeft, maar wij vinden ze allervriendelijkst en behulpzaam. De camping blijkt hier maar anderhalve kilometer vandaan te zijn, we zijn alleen via een verkeerde route gereden. Als ik bij de poort van de camping warm omhelst wordt door Brenda, komen bij mij de tranen. Bij het oprijden van de camping rijden we nog een wieldop kapot. Zo is het wel even genoeg ja!
We zijn niet de enige Nederlanders op de camping. Hier maken we kennis met Coen en Dorrit, die hun camperbus verscheept hebben naar Brazilië en al een maand of acht over dit continent reizen. Grappig is dat ik hun website op het internet gevonden had en in hun gastenboek geschreven had, zonder dat we hen kenden. Dat we hen nu hier tegenkomen is wel erg toevallig.
Na een dagje relaxen op de camping, lopen we via de steile en gladde klinkerstraatjes naar het mooie oude centrum van Cusco. Vrouwen in traditionele kleding laten zich voor een kleine tip fotograferen met hun lama’s. Kinderen in kleurrijke kleding wekken vertedering op met hun jonge hondjes of lammetjes.
Jonge souvenirverkopertjes weten met gevatte opmerkingen een gevoelige snaar te raken. “Mevrouw, koop alsjeblieft vandaag wat bij mij, want morgen is het maandag en dan moet ik naar school”. En dat in het Engels! Alles is hier spotgoedkoop en ik moet me echt inhouden om niet teveel te kopen. Maar Brenda heeft een paar hele leuke sučde laarzen laten maken en ik volg haar voorbeeld. Een dag later zijn ze klaar en ik ben er hartstikke blij mee. En dat voor maar 30 Euro!
Als we na uren wandelen weer terugkomen op het grote plein, komen daar ineens allerlei optochten voorbij. Vrouwen en mannen in kleurrijke kleding dansen op hoempapa muziek. We maken veel mooie foto’s en zijn erg blij dat we juist op dit moment op het plein waren, want denk niet dat het ergens aangekondigd wordt. Voor maar €1,25 nemen we de taxi terug naar de camping.
Guido helpt PJ gebroederlijk met het repareren van de camper en het ziet het redelijk goed uit. Nu maar zien hoe de gerepareerde schade zich houdt. We vermaken ons verder prima op deze camping. Het enige nadeel is de hoogte (3500 meter) waardoor we dagen last hebben van hoofdpijn. Maar na een dag of vier zijn we gelukkig geacclimatiseerd. 9 - 18 september 2005 Natuurlijk komen ook wij er niet onderuit om vanuit Cuzco de mooiste Inca ruďnes van Zuid-Amerika te bezoeken. Maar dat gaat niet vanzelf. De ruďnes van Machu Picchu zijn alleen lopend (de beroemde vierdaagse Incatrail) of per trein te bereiken. Peru Rail heeft het alleenrecht gekregen en een retourtje met de ‘rugzaktrein’ kost al U$65,-. De treinreis duurt 4 uur, dus dan moet je eigenlijk ook nog een nachtje in een hotel om ten volle van de ruďnes te kunnen genieten. En met de hoge entreeprijs wordt het een dure grap, maar het is zo’n plek ‘waar je geweest moet zijn’. Met Guido en Brenda wandelen we op dinsdag in Cuzco naar het treinstation, waar we treinkaartjes voor de volgende dag willen kopen. Allereerst moeten we anderhalf uur wachten voordat we aan de beurt zijn. Dan blijkt de trein de komende twee dagen al vol te zijn. We kunnen alleen nog met de ‘eerste-klas-trein’, maar die is twee keer zo duur. Dus besluiten we een paar dagen later te gaan, zodat we toch met de ‘rugzaktrein’ kunnen gaan. We kopen kaartjes voor zaterdag heen en zondag terug.
“Weet je zeker dat het al klaar is?” grappen we. Toch lopen we met hem mee naar binnen. De gastenverdieping ziet er keurig uit en de kamers hebben een tweepersoonsbed en een eigen douche en toilet. Alleen de verdieping erboven staat nog in de kale beton, en daar woont de familie.
Nadat we met onze gids nog een stuk of vier pensions afgegaan zijn en hij zijn prijs laat zakken tot €12,50 per kamer inclusief ontbijt, besluiten we het toch te doen. Al snel blijkt dat het niet inclusief handdoeken is, en er is ook niet altijd stromend water. We hebben nog een middag zoet te maken in deze stad, dus we wandelen door de smalle straatjes en drinken en eten op de gezellige terrasjes. Het eten is hier gelukkig erg goedkoop. We hadden natuurlijk voor de Peruaanse specialiteit kunnen kiezen; een gefrituurde cavia, maar we houden ons toch maar bij gevulde avocado’s en hamburgers met friet.
Steeds als we ergens neerstrijken, spelen straatmuzikanten een paar melodietjes op een panfluit voor ons. Ze beginnen meestal met “El Condor Pasa”. Ik denk je dat je dat niets zegt, maar ik weet zeker als je het deuntje hoort dat je het kent. Het is wereldberoemd gemaakt door Simon & Carfunkel (“If I could”). We nemen een warm bad in de hete bronnen van Aqua Calientes. Achteraf komt dat mooi uit, want er komt ’s morgens geen warm water uit de douche. Het water is troebel en de bodem is bedekt met grind. Guido vraagt zich hardop af hoe de baden schoongemaakt worden. Als ik later bij de kleedkamers zit te wachten, zie ik een paar (straat)jongetjes met zweren op hun enkels die in hun onderbroeken richting baden lopen. Als de ‘badmeester’ hen sommeert dat ze hun sandalen - gemaakt van autobanden - uit moeten doen laten ze pikzwarte voetafdrukken achter op de witte tegels. Ik vraag me af hoe fris dit hete bad nu wel was. De volgende morgen staan we weer om half vijf op zodat we de eerste bus naar de ruďnes kunnen nemen. Na een half uur haarspeldbochten draaien komen we bij de beroemde ruďnes aan die liggen op 2350 meter. We lopen een soort junglepad steil omhoog, maar het is de inspanning waard. Machu Picchu ligt dan onder ons te schitteren.
Vanuit de camping in Cuzco bezoeken we het dorpje Pisac. We
houden een taxi aan en ondanks dat de chauffeur een passagier heeft,
stopt hij voor ons. Aan de Nederlandse campingeigenaresse hebben we
gevraagd wat zo’n taxirit van een half uur ongeveer moet gaan
kosten.
We willen natuurlijk voor dezelfde prijs terug naar de camping, maar
dat blijkt niet eenvoudig. De eerste paar taxi’s die we aanschieten,
willen ons niet voor dat bedrag rijden. Op een regenachtige 13de september verlaten we - natuurlijk met Guido en Brenda - de camping in Cuzco. Vrijwel elke kilometer ligt of staat er een hond naast de weg, meestal een dik behaarde schapenhond, die ons helemaal nastaart. Het lijken wel soldaten die de weg bewaken. Onderweg stoppen we nog even in het plaatsje Lampa, waar we een bijzondere kerk bezoeken. Een rijke inwoner van het dorp heeft een kapel voor zichzelf laten bouwen met daarop een replica van Michelangelo’s ‘La Pieta’ (Maria met een gestorven Jezus in haar armen). In zijn tombe hangen de skeletten van de Spanjaarden die uit de catacomben van de kerk gesleept zijn. Een bizar gezicht en de bedoeling hiervan is ons niet echt duidelijk. Misschien heeft deze welgestelde Peruaan wraak genomen door de Spanjaarden aan zijn graf te nagelen…
In twee dagen rijden we naar de Caňón del Colca. Het begint onderweg te sneeuwen en tot onze verbazing wordt er een poging gedaan de weg sneeuwvrij te maken door mannen met spaden. Het zicht wordt nu ook minder en als PJ in de mist op een stilstaande vrachtwagen stuit, wil hij die inhalen. Maar dan blijkt dat het niet 1 maar een file van wel een stuk of 50 vrachtwagens te zijn. Gelukkig kan hij weer invoegen voordat er een tegenligger aankomt. Twee uur lang staan we vrijwel stil. We vragen ons natuurlijk af wat er aan de hand is. Het tegemoetkomende verkeer rijdt wel. Als we na twee uur eindelijk verder kunnen, blijkt dat er twee geschaarde vrachtwagens aan onze kant van de weg stilstaan. Niemand heeft eraan gedacht om het verkeer te regelen en beide rijbanen omstebeurt door te laten gaan. We verlaten de geasfalteerde weg en moeten nog 80 km over onverharde weg naar de eerstvolgende plaats, maar de weg is bar slecht. Guido en Brenda schieten met hun Toyota Landcruiser veel sneller op, maar wij zijn na een uur pas 20 kilometer verder! We willen het bijna opgeven als Guido over de walkietalkie meldt dat hij op een asfaltweg staat. Daarna schiet het voor ons ook wat sneller op. We klimmen langzaam naar 4891 meter. Een raar idee dat we hoger rijden dan de hoogste berg van Europa. De uitzichten zijn adembenemend, ook letterlijk, want zo hoog is er niet veel zuurstof in de lucht en als we even uitstappen, lopen we al snel te hijgen.
We zien een vizcacha, een konijn met een eekhoornstaart.
Brenda noemt dit gemakshalve een Incakonijn, en die naam houden we
erin. Via nog een onverharde weg (we doen 2 uur over 60 km) rijden
we naar de Canon del Colca. Vanaf de weg hebben we prachtig uitzicht
op de terrasvormige landbouw. Ondanks dat we nu al een paar weken op hoge hoogte slapen (tussen de 3400 en 4000 meter), zijn we blijkbaar nog steeds niet geacclimatiseerd. Dit merk ik vooral tijdens nachtelijke toiletbezoeken. Als ik vanwege de kou iets te snel weer in bed klauter, lig ik nog minutenlang naar adem te happen. PJ hoort mij ook ’s nachts vaak hijgen in mijn slaap. Maar gelukkig hebben we geen hoofdpijn meer.
Na de lunch rijden we naar het plaatsje Chivay, waar we in de hete bron willen, want we hebben al drie dagen niet gedoucht. Vanaf boven kunnen we het complex zien liggen. Een prachtig zwembad is helemaal leeg, dus we vermoeden dat dit een koud bad is. Een ander bad heeft afgebladderde muren en is vol met schreeuwende Peruaanse kinderen. Het ziet er niet zo appetijtelijk uit, maar Brenda en ik gaan toch even kijken. Dan blijkt dat er vijf baden zijn, waarvan drie alleen voor toeristen! Het is natuurlijk belachelijk dat er onderscheidt gemaakt wordt tussen de lokale bevolking en buitenlanders, maar met de straatjongetjes in gedachten zijn we er toch wel erg blij mee. We laten ons zakken in een rond binnenbad van 38 graden. Maar pas echt fantastisch wordt het als we het mooie buitenbad uitproberen dat nog een graadje heter is. In een 40 meter bad liggen we uren met z’n viertjes en kunnen meteen onze voertuigen in de gaten houden. Er mag zelfs een drankje en versnapering bij genomen worden. Wat een luxe voor maar €2,50. Om vier uur worden we weer ‘ingehaald’ door de tourbussen met toeristen en wordt het voor ons tijd om uit het bad te komen. We overnachten naast de hete bronnen, maar als het donker wordt, komt er iemand om parkeergeld vragen. De gevraagde €2,50 lijkt ons redelijk, maar dan wordt het ineens verdriedubbeld. Boos rijden we weg, maar snijden onszelf hiermee in de vingers. Waar moeten we nu slapen? We besluiten gewoon 25 meter verder te parkeren en niemand durft ons meer lastig te vallen. Als we de volgende dag langs het kerkplein van Chivay rijden, is er net een optocht aan de gang. We begrijpen er zoals zo vaak weer niets van, want waarom hebben die vrouwtjes enorme broden met linten aan hun lijf gebonden en waarom lopen de mannen met kratten bier op hun schouders?
Antwoord hierop zullen we niet krijgen. Onderweg zien we weer een tourbus op z’n kant liggen. Gelukkig had deze bus niet zoveel passagiers en we zien vijf mannen bedremmeld op een kluitje staan. Ik zie wel een paar benen onder een plaid uitsteken van een minder gelukkige passagier. We zijn weer blij dat we niet afhankelijk van het openbaar vervoer zijn. We rijden door naar Puno. Deze plaats ligt aan het Lago Titicaca. Dit meer ligt op 3820 meter boven zeeniveau en is volgens de reisgids het hoogste meer met een passagiersboot service. We kamperen langs het meer op een veldje waar een schapenhoedster haar kudde schapen laat grazen. De wekker staat op zes uur, maar om half zes worden we wakker van geschreeuw. Wat nu weer? Ik glijd uit bed en gluur tussen de gordijnen. Het blijkt dat er twee jongens aan het oefenen zijn met kickboksen. Niets om je ongerust over te maken dus. Maar even voor zessen loopt het veldje vol en begint een groep jongens en meisjes te voetballen om onze voertuigen. Het blijkt dat we op hun voetbalveld staan! Ik had gisteren wel wat vage krijtlijnen gezien, maar er geen aandacht aan geschonken. We verplaatsen snel de camper, zodat ze hun spel kunnen afmaken zonder een voertuig in het doel. Een half uur later rijden we dwars door de stad naar de haven, waar we een boottochtje willen maken. Ondertussen is de markt begonnen en vrouwtjes met bolhoedjes en klokkende rokken beginnen hun groenten op de straat uit te stallen. Hoe we hier straks weer uit moeten komen, is van latere zorg. We laten de voertuigen op de kade achter bij een gladde verkoper, die meteen ook onze boottickets verzorgd. Met een gemotoriseerde boot gaan we naar de zogenaamde drijvende rieteilanden. PJ heeft er een hard hoofd in, want in Mexico-stad waren de drijvende tuinen ook niet echt een succes. Maar deze eilanden van de Uros Indianen zijn echt gemaakt van afgesneden rietstengels die laag op laag een zachte bodem vormen. Aan de onderkant rotten ze weg en aan de bovenkant worden ze weer aangevuld.
Op elk eilandje staan eenvoudige rieten huisjes, een wankele uitkijktoren en proberen de Indianen hun rietsouvenirs te verkopen. We zien een echtpaar dat hun vangst eenden aan het villen is. Als Brenda en ik vanaf de toren over het piepkleine eilandje uitkijken, vraagt Brenda zich hardop af of er een toilet is. Haar vraag wordt meteen beantwoordt als we een Indianenvrouwtje zien hurken achter een huisje, haar rokken omhoog doet en haar plas laat lopen. Geen onderbroek, geen toiletpapier, gewoon lekker simpel. Met een heuse rietkano gaan we naar het volgende eilandje. Deze kano’s zijn zo gebouwd dat ze een hele familie een aantal maanden kunnen vervoeren, voordat ze wegrotten. We hopen maar dat deze boot niet aan zijn laatste dagen toe is...
Op weg naar de grens met Bolivia stoppen we nog even bij een
vruchtbaarheidstempel. Eén
meter hoge stenen fallussen staan op een rij en volgens de reisgids
gaan vrouwen op de kop zitten in de hoop zwanger te raken. Een
tienjarige knul biedt aan om onze gids te zijn. Hij spreekt ons aan
in het Engels, maar als Brenda een praatje met hem aanknoopt, komt
ze niet ver. Bolivia (19 september - 3 oktober 2005)
In Copacabana kamperen we gratis langs het meer. Dit plaatsje is bekend om zijn zegeningen. Bij de kerk kun je werkelijk alles laten dopen, zoals je winkel, je huis, je restaurant, je fortuin, jezelf… Omdat het natuurlijk niet mogelijk is je huis naar de kerk te brengen, staan er voor de kerk stalletjes die miniatuurtjes van huizen en winkels verkopen, zodat het iedereen eenvoudig gemaakt wordt. Twee keer per dag is er de mogelijkheid je auto te laten zegenen. Drie rijen dik staan gepoetste auto’s te wachten en de eigenaren versieren hun voertuigen met slingers, verse bloemen en medaillons met Heiligen. Klokslag tien uur verschijnt er een geestelijke in een bruine monnikspij. Hij draagt een baseballpet en een donkere zonnebril en onder zijn pij is zijn spijkerbroek zichtbaar en een paar gymschoenen. Met een emmertje en een kwast loopt hij langs de voertuigen en sprenkelt wijwater over en in de motorkap, over het interieur en over de eigenaren. De Bolivianen nemen dit hartstikke serieus. Als de geestelijke klaar is, spuiten ze bier of champagne (ligt eraan hoe rijk ze zijn) over hun auto en strooien een handvol confetti over de motorkap.
Ik vind het eigenlijk te zot voor woorden dat de kerk hierin meegaat en PJ is bang dat de automobilisten nu denken dat ze onschendbaar zijn en hun rijgedrag hieraan aanpassen. We proberen Amerikaanse dollars te wisselen bij een bank, maar het merendeel van de biljetten worden niet geaccepteerd, omdat er op geschreven is. Daarom wisselen we maar bij een vrouwtje op straat. De Boliviaanse munteenheid zijn boliviano’s, die PJ meteen omdoopt tot ‘bolletjes’.
Nu moeten we nog 200 kilometer onverharde weg naar Uyuni, de
uitvalsbasis voor de beroemde zoutvlakte. De weg is slecht en we
moeten zelfs door drie rivieren rijden. Voor Guido en Brenda is dit
gesneden koek, maar wij doen het voor het eerst en vinden dit best
eng.
Na even slikken en met de handen in het haar gezeten te hebben, gaan
we tot actie over. Ik loop naar de weg (tien minuten) en houd een
tourbusje aan.
Terug bij PJ en de vastgelopen camper, besluiten we samen naar dat
dorp te lopen. We nemen een fles water mee en wat mueslirepen. Vijf
kwartier wordt twee uur met een koude straffe wind. We stoppen bij
twee mannen en een vrouw die met een schop het land aan het bewerken
zijn.
Zeer teleurgesteld sloffen we de twee uur met tegenwind terug naar
de camper en drinken kleine slokjes van het water. Ik heb
ondertussen een stukgelopen blaar ter grootte van een Euro op mijn
hiel en mij handen zwellen helemaal op. Uitgedroogd komen we bij de
camper aan en drinken in een hoog tempo 6 mokken thee en een liter
water. Pas na een paar uur komen onze nieren weer op gang.
We zien weer wat lokalen en vragen of zij een tractor weten.
“Ik ga ervandoor”, zegt hij na een uur. We denken even dat hij ons een
kamer in zijn pension aanbied, maar later begrijpen we dat hij vast
iets anders gezegd heeft, zoals:
"Ik verwacht elk moment mijn gasten in mijn pension”.
De volgende morgen komt ons Boliviaantje aangereden met een kuub
droog struikgewas op zijn dak, zijn zoon, zakken fijn woestijnzand
en nog meer houten planken. Het enige wat we hadden verstaan (piedras
= stenen) hebben we nooit gezien. Het proces van het opkrikken van de banden begint opnieuw, alleen de
voorbanden krikt hij op via de bouten…aaah, het gaat gelukkig
allemaal
goed. Ondertussen is kleine Ernesto weer van de partij en heeft nu
een nieuwe vriendin, Abigail meegenomen.
De kinderen pakken weer steeds mijn hand, vegen hun snottebellen
tijdens knuffels aan mijn jas af, ik houd ze warm en vermaak ze met
tekenen. Jammer dat ze denken dat mijn tekening van een lama een
flamingo is…
We hebben even ons buik vol van het zout, maar moeten toch nog 80
kilometer terug over de zoutvlakte naar Uyuni rijden. In dit
woestijnstadje nemen we een kamer met douche in een pension en
parkeren de camper achter een poort op een vieze buitenwerkplaats.
Als we zien dat het plafond van de kamer bekleed is met
brandgevaarlijke piepschuim platen, slapen we vertrouwd in de
camper, maar we maken wel gebruik van de douche. Om gas te sparen
hebben we een mooi excuus om uit eten te gaan.
Vanuit Uyuni rijden we over een mooie, maar onverharde route naar
Potosi, de hoogste stad ter wereld (4090 meter). Het
roodgekleurde landschap doet een beetje denken aan de staat Utah in
Amerika. In Potosi wordt in de mijnen gewerkt onder Middeleeuwse
omstandigheden. Toeristen kunnen dit bekijken, maar de asbestdeeltjes vliegen er in
het rond, dus wij slaan dit over. We willen tenslotte geen
permanente souvenirs mee naar huis nemen…
“Spreekt u Engels?”, vraagt PJ, zodat hij iets makkelijker met de
agent in discussie kan gaan over het vermeende te hard rijden. We rijden door naar Sucre, maar kunnen in de stad geen plek vinden waar we de camper durven achter te laten. Voordat we het weten zijn we de stad weer uit. Ik had me verheugd op een bezoek aan de suikerwitte stad, het stoffenmuseum, de dinosaurusafdrukken van wel 80 centimeter, het café gerund door Nederlanders waar ze Hollandse appeltaart en broodje kroket verkopen, en natuurlijk het winkelen, dus ik ben ontroostbaar. Als PJ een uur later helemaal omkeert op de slingerweg, omdat ik drie groenblauwe papagaaitjes in een boom heb zien zitten, maakt dat het maar deels goed.
Na 100 kilometer houdt het asfalt weer op en doen we 2 uur over de
volgende 50 kilometer. De camper steunt en piept en alles trilt van
zijn plaats. Scharnieren trillen kapot. De auto heeft absoluut geen
kracht meer en slaat af en toe zelfs bijna af. Hebben we slechte
diesel getankt of is er iets mis met de versnellingsbak, omdat we
in Cuzco ook al dezelfde problemen hadden? PJ maakt zich diepe
zorgen over de verdere trip.
In Samaipata weten we een camping gerund door een
Nederlands echtpaar en daar komen we weer een beetje tot rust.
Brenda en Guido zullen binnen enkele dagen hier ook komen. We kijken
al naar ze uit. Vele uren brengen we door in ‘ons hok’, want er zijn op dit moment geen andere campinggasten. In de pensionkamers zit de filmcrew van de BBC televisie, die opnames maakt over het leven van Ché Guevara. Het is volgende week 38 jaar geleden dat deze rebel hier vlakbij geëxecuteerd werd. We vermaken ons over de amateuristische manier waarop geacteerd wordt.
Ik heb nog een stad tegoed van PJ (na het mislopen van Sucre), dus gaan we met de taxi naar Santa Cruz de la Sierra. Dit is tweeëneenhalf uur rijden, dus we willen wel een comfortabele taxi die banden met profiel heeft. We vinden een keurige oude taxichauffeur die ook nog een redelijk goede stationwagon heeft, die ons wel naar de stad wil rijden, daar een paar uur zal wachten, bij een grote supermarkt zal stoppen en ons weer terug zal rijden. Bij elke kerk en elk kapelletje langs de weg, slaat hij een kruisje. De stad valt een beetje tegen, vooral het shoppen naar souvenirs, maar we hebben wel een leuke dag. Brenda biedt de chauffeur op de terugweg een koud blikje frisdrank aan. Deze keurige man gooit z´n lege blikje pardoes het raam uit. Daar staan we toch wel even raar van te kijken. Maar onze haren rijzen echt ten bergen door zijn rijstijl op de terugweg: hij haalt in de bochten in en het tegemoetkomende verkeer missen we rakelings. Nu zijn wij het die kruisjes slaan en schietgebedjes prevelen!
Na een week relaxen besluiten we te vertrekken. Maar de hele nacht heeft het geregend en wij komen niet weg van het nu modderige veld! We geven het al gauw op en besluiten een dag of wat te wachten totdat het weer droger is. Het lukt Guido wel, na een paar pogingen en veel sporen in het gras, en we nemen voortijdig afscheid van elkaar. We verwachten elkaar over een maandje weer te zien in Argentinië’, maar dit zal door onvoorziene omstandigheden VIJF maanden worden! Na twee dagen is de modder gedroogd en kunnen ook wij vertrekken. We rijden zuidwaarts over geasfalteerde wegen. In twee dagen rijden we naar Villamontes, waar we naast een ravijn, Caňón del Pilcomayo willen overnachten. Ondanks dat we de onverharde wegen zoveel mogelijk proberen te vermijden, komen we er soms niet onderuit een stukje onverhard te rijden. Door een over het hoofd geziene kuil in de weg, maken we een smakker met de auto. Het overhangende gedeelte van de camper klapt op het dak van de pick-up. Dit overkomt ons de laatste tijd steeds vaker! In de USA gebeurde dit misschien twee keer per jaar, in Zuid Amerika soms wel twee keer per dag. We zijn bang dat er een dag komt dat de camper hierdoor in tweeën breekt! En deze angst blijkt later niet ongegrond.
We rijden langs het stoffige ravijn en in een kale boom zie ik vier
grote oranje vlekken. Het duurt even voordat ik door heb waar ik
naar kijk. Dat oranje is de snavel van een …
Als we ’s morgens naar de grens rijden, zien we nog twee toekans overvliegen. Om de rivier over te steken, hoeven we nu eens niet te water, maar moeten over een enkelbaans spoorbrug rijden!
Argentinië 10 - 29 oktober 2005
Argentinië is het land van voetballer Diego Maradona, presidentsvrouw Evita Perón, vrijheidsstrijder Ché Guevara, de Falkland Eilandenoorlog, de tango, de Dwaze Moeders en natuurlijk Prinses Máxima Zorregieta. We moeten hier aan een aantal dingen wennen: als we iemand met blond haar zien, kunnen we niet meteen aannemen dat het een toerist is. Dit in tegenstelling tot Peru en Bolivia, waar iedereen ravenzwart haar heeft. De taal die ze in Argentinië spreken is geen Spaans! Wat het wel is, weten we niet. Voor ons had het net zo goed Chinees kunnen zijn, want we verstaan er geen woord van. Nu zijn we na al die tijd gewend dat in het Spaans de v uitgesproken wordt als een b, dubbele l uitgesproken als een j, maar die regels gelden niet in Argentinië. Het Argentijns is voor ons zo anders dan het Spaans dat we gewend zijn en ze spreken zo razendsnel. Erg lastig. Verder worden we zo elke 50 kilometer aangehouden door de politie. Ze willen weten waar we naar toe gaan en waar we vandaan komen – niet altijd in die volgorde – en dan mogen we meestal doorrijden. We hopen dat dit is, omdat we nog zo dicht bij de grens van Bolivia zijn, want we vinden het vervelend, zeker omdat we zo’n moeite met hun uitspraak hebben. We overnachten in het Nationaal Park Calilegua, waar aan het begin van het park een gratis camping is met koude douches. De motor van de pick-up loopt nog steeds niet goed, dus PJ wil niet verder het park inrijden (onverharde weg met een flinke stijging) en we blijven twee nachten op de camping staan. Om de camping begint een subtropisch bos, maar omdat het al lange tijd niet geregend heeft, is het bos droog en de begroeiing niet zo uitbundig. De douches zijn nogal ranzig, maar we halen gewoon een teil water en wassen ons in onze eigen doucheruimte. Het is hier bloedheet en dan is poedelen met koud water heerlijk. ’s Morgens zien we hele mooie gaaien met blauw fluorescerende wenkbrauwen en vreemde beesten scharrelen rond op de camping. Agouti (goudhaas) is een soort uit de kluiten gewassen cavia op hoge poten.
Na twee dagen rijden we naar Salta, waar we een Dodge garage
weten. We komen er pas om een uur of 1 aan en PJ probeert het
probleem uit te leggen. De Argentijn zegt dat ze er in de werkplaats
wel naar willen kijken, maar dat het nu lunchpauze is.
De diesel die uit de tank komt, ziet er inderdaad erg vreemd uit met dikke klonten. Net voor de lunch zijn ze hiermee klaar en rijden ze de auto naar buiten, zodat wij de lange lunchpauze in onze eigen camper kunnen de doorbrengen. Na de lunch vervangen ze het oliefilter en controleren nog een paar dingen. Om zes uur zijn ze klaar, maar als PJ de auto start, ziet hij dat de dieselmeter het niet meer doet! De auto weer terug de garage in en dan beweren ze glashard dat het komt omdat er maar 20 liter diesel in de tank zit. PJ kent zijn eigen auto en weet dat ook 20 liter te zien is op de meter.
Ik raak geďrriteerd en zeg dat we zullen gaan tanken bij de Shell en
dan terugkomen. Zonder te betalen rijden we weg en niemand bekommert
zich hierom. Ze zijn wel goed van vertrouwen! We laten de tank
volgooien en natuurlijk blijft de meter op leeg staan. In de garage
gaan ze weer aan het sleutelen en een uur later staat de meter op
vol. Nu de rekening…
We rijden naar de gemeentecamping van Salta, een camping met een van
de grootste zwembaden ter wereld en wel 500 kampeerplekken. Hier
vinden we veel Europese reizigers met hun verscheepte voertuigen. We
hebben het hier prima naar ons zin, ondanks dat het zwembad pas over
een maand gevuld zal worden (en dat vullen duurt een week).
Bij de ingang van de camping is een internetcafé. Terwijl we onze e-mail aan het lezen zijn, komt een man ons allerlei vragen stellen. Waar we vandaan komen. “Ah. Prinses Máxima” is zijn opgetogen antwoord als hij hoort dat we uit Nederland komen. We vragen ons af hoe vaak we dit zullen horen. Naast het internetcafé zit een supermarkt waar we dagelijks knapperig brood kunnen kopen. Biefstuk is in Argentinië spotgoedkoop, voor een kilo betalen we 2,80 Euro. Maar zoiets eenvoudigs als gehakt kan ik nergens vinden. Als ik een vrouw in een supermarkt met een zak gehakt zie lopen, weet ik niet hoe snel ik bij die slagersafdeling hetzelfde moet bestellen door naar haar te wijzen. De slager gooit een paar biefstukken in de molen en dan heb ik een kilo gehakt! Niet zo verwonderlijk dat dit bijna net zo duur is als een biefstuk. Harde muziek draaien vinden de Argentijnen prachtig. Zo krijgen we op een dag een Argentijnse buren - een groep mannen - die rijden in een oude verroeste pick-up truck. Ik denk eerst dat ze het vuilnis op komen halen, maar als de barbecue aangestoken wordt, literflessen bier tevoorschijn gehaald worden en even later de stukken biefstuk liggen te sudderen, begrijpen we dat ze wat langer blijven. De volumeknop van de autoradio gaat voluit en de mannen hebben reuze pret. Naarmate de stapel lege flessen bier hoger wordt, worden de mannen vrolijker. Met hun blote blubberende bierbuiken staan ze met onzichtbare partners de tango te dansen. Ik moet er wel om lachen en zeker als ze om een uur of zes de camping weer afrijden. Op zaterdagavond is de Miss Salta verkiezing in het lege zwembad en de geluidsinstallatie overtreft alle decibellen. Tot 2 uur ’s nachts liggen we met oordoppen in mee te vibreren in ons bed. Muziek hoort nu eenmaal bij de Argentijnse cultuur.
We gaan de auto uittesten met een rit naar het noorden. De tank zit nog vol met Shell diesel en de auto komt goed door de test. Via een maar vier meter brede geasfalteerde weg, die kronkelt door een droge jungle, rijden we naar de Quebrada de Humahuaca, een canyon met prachtig gekleurde rotsen. Het doet ons denken aan Death Valley in California.
Na weer een weekje op de camping in Salta zijn we toe aan een
tweede proefrit met de auto. We tanken de verplichte Shell diesel en
gaan op weg. We rijden naar het nationaal park Finca El Rey,
een vochtig subtropisch bos waar volgens de reisgids veel toekans
leven. Het is hemelsbreed maar 80 kilometer van de camping in Salta,
maar we moeten 200 kilometer rijden om er te komen. Het eerste stuk
gaat over asfaltweg, daarna 50 kilometer onverharde weg en de
laatste 50 kilometer gaat over een bospad. De laatste week in Salta
hebben we stralend weer gehad, maar vanochtend begon het te
miezeren. Het bospad is af en toe een beetje glibberig, we hopen
maar dat de motregen snel ophoudt. In gedachten moedig ik de auto
aan. PJ weet dat ik mijn zinnen op dit park gezet heb en rijdt door,
ondanks dat hij er een hard hoofd in heeft of de terugweg geen grote
problemen zullen opleveren. We moeten tot zeven keer toe door een
smal riviertje rijden met steile kanten, maar de auto laat ons niet
in de steek. Onderweg zien een glimp van een tapir, een groot
zoogdier dat leeft van waterplanten. In het park parkeren we op de
camping en een knul komt langs.
De volgende morgen worden we wakker van de regendruppels op het camperdak. Dat belooft niet veel goeds. Ik maak ondanks de motregen nog een paar wandelingen. Tijdens een van die wandelingen komen er twee grote donkerbruine beesten op mij af rennen. Ze hebben lieve snoetjes, korte poten en een lange staart en ik denk dat het otters zijn. Als ze mij op het laatste moment in de gaten krijgen, rennen ze het bos in. Aan het eind van de dag stopt het met miezeren, maar dat is natuurlijk lang niet genoeg om de modderige weg droog te krijgen. ’s Avonds ontdek ik weer een paar teken, die natuurlijk onmiddellijk verwijderd worden. Het zijn maar piepkleine beestjes, dus PJ moet nauwgezet elke sproet of moedervlekje op mijn lichaam nader onderzoeken. “Eenenveertig!” is het eerste wat PJ zegt, als ik ’s morgens mijn ogen open doe. Ik ben vandaag jarig. Het is nog steeds droog en we besluiten vandaag terug naar Salta te rijden. Liever zouden we nog een dag of wat wachten, zodat de weg droger is, maar we weten de weersvoorspelling niet en misschien gaat het straks weer regenen. We maken eerst nog een lange wandeling door het bos, maar zien weer geen toekans. Wel steken er een stuk of tien wilde zwijntjes de weg over.
De weg terug is inderdaad erg slecht. De rode modder is op sommige
plaatsen kniediep met diepe vorens van een vrachtwagen. De pick-up
begint te schuiven. PJ blijft vaart houden en we glijden haaks op de
weg richting een greppel. Toch ziet PJ kans het vijf ton wegende
gevaarte weer recht te krijgen en we glibberen verder. Mijn hart
klopt in mijn keel. Ik onthoud de boerderijen langs de weg die een
tractor op hun terrein hebben staan. We maken tot drie keer toe zo’n
slipper! Het overhangende gedeelte van de camper knalt twee keer
keihard op het dak van de pick-up. We snellen naar de camping in Salta en nemen de schade op. Waar we al die tijd bang voor waren, is nu gebeurd: het houten frame van de camper is diep van binnen gebroken! Het gasfornuis staat hierdoor helemaal scheef, de lamellen waarmee de buitenkant van de camper bedekt zijn, zijn losgeschoten en ook de houten tafel is doormidden gebroken. Een verjaardag om niet snel te vergeten…Onze Vlaamse buren, Dirk en Lucet zijn er nog steeds en is het fijn om dit avontuur van ons af te kunnen praten. Om de camper te repareren moet hij van de pick-up af en dat willen we niet hier op de camping doen. De volgende dag repareert PJ de camper zo goed mogelijk.
Op 2 november rijden we in drie dagen zuidwaarts naar Chili. We
rijden een route ver van de Andes vandaan, zodat we geen passen over
hoeven, geen onverharde wegen en langs een paar grote steden rijden.
De auto heeft zich tijdens de moeizame rit uit park El Rey goed
gehouden, maar we willen toch geen risico nemen. Bovendien staat de
camper op instorten en willen we voorkomen dat hij op het dak van de
auto beland. Een keer hapert de auto, PJ drukt het gaspedaal in,
maar er gebeurt niets. Door de snelheid blijven we wel doorrijden,
maar de motor heeft geen power meer. Het probleem is dus nog steeds
niet opgelost.
Als PJ opmerkt dat hij de route maar saai vindt, schiet dat bij mij
in het verkeerde keelgat. Ik heb een zo vlak mogelijk route
uitgezocht, waardoor we alle mooie parken en bezienswaardigheden
mislopen en dan maakt hij zo’n opmerking!
De legende vertelt dat tijdens de burgeroorlog van 1840 mevrouw Correa haar mans bataljon te voet volgde. Zij komt in de woestijn om van de dorst, maar als zij later gevonden wordt (hoeveel later is niet bekend), leeft haar baby nog wel. Het jongentje heeft zich vastgezogen aan haar borst en kon zelfs na haar dood haar melk nog drinken. De kerk wil haar niet heilig verklaren, maar daar trekken de Argentijnen zich niets van aan. Ze beschouwen haar als een Heilige en geloven dat mevrouw Correa wonderen kan verrichten. Op de plaats waar ze zogezegd gestorven is, werd op een heuvel een kruis neergezet. Naast de trap ernaartoe zien we honderden nagebouwde huizen en winkels met daarop een dankwoord aan de Difunta Correa. Maar ook een stuk of 15 kapelletjes, waar dankbare mensen spullen achterlaten in ruil voor bovennatuurlijke gunsten. Zo is er een kapel met bruidsjurken, die gelukkig getrouwde bruidjes hebben achtergelaten. Een kapel met nagebouwde auto’s en vrachtauto’s. Er staat zelfs een echte oldtimer, een BMW motor en vele gewonnen wedstrijdbekers. Er hangen honderden foto’s van blije moeders met hun pasgeboren baby’s. Een kapel is volgepropt met antieke meubelen. Fascinerend om te zien hoe devoot de Argentijnen zijn. We zien een stel van een jaar of 16 met hun pasgeboren baby in hun armen de berg oplopen. Een modern geklede vrouw klautert op haar knieën de trap op. We vragen ons stiekem af welke gunst zij de Difunta gaat vragen. De Argentijnen nemen dit namelijk bloedserieus! Vrachtwagenchauffeurs houden het niet bij deze plek alleen. We zien regelmatig gedenkplaatsen langs de weg voor de Difunta Correa, herkenbaar aan de vele rode vlaggen en de honderden flessen water om haar dorst te lessen.
Het is al drie dagen mooi weer, maar als wij de pas over de Andes oversteken, trekt het net dicht. Zo gaat de Aconcagua, de hoogste berg van Zuid Amerika aan ons neus voorbij. De grensovergang is streng en een beambte neemt alle tijd om te zoeken of we geen verboden vlees, fruit of groenten Chili in smokkelen. Hij vindt gedroogde pruimen en abrikozen, een flesje honing en wil zelfs gedroogde spliterwten innemen. Die krijg ik later toch weer terug, maar hij ziet een smeerworst, aardappelen en verse knoflook over het hoofd. Chili (5 november - 30 november 2005)
Als we de grens over zijn, bellen we naar Gerard en Monique en
vragen of we welkom zijn.
Het is ook de bedoeling dat we Guido en Brenda hier zullen treffen, maar dan krijgen we een e-mail van hen, dat hun wagen hen in de steek heeft gelaten. Ze waren ergens in het Argentijnse Andesgebergte en moesten hun Toyota Landcruiser 300 km laten slepen naar de dichtstbijzijnde stad: Salta! Het kapotte onderdeel moet uit Nederland overgevlogen worden en dat duurt bij elkaar 2 ˝ week. Wij brengen onze pick-up naar een Dodge garage in de buurt, zonder de camper, want de ingang van de garage is te laag. De versnellingsbak wordt nagekeken, maar ze kunnen niet ontdekken wat er nu precies mis is met de auto, want de computer die ze eraan hangen, zegt niets. Wel is het dieselfilter verstopt en dat wordt vervangen. We waren er al bang voor dat het probleem niet zichtbaar zou worden op de computer. Het haperen gebeurt meestal als de motor erg warm is en dat is ie nu natuurlijk niet. We moeten maar hopen dat het probleem nu opgelost is. De tijd vliegt voorbij en al met al blijven we 2 ˝ week bij Gerard en Monique. Monique verrast mij met een taart met kaarsjes en we doen mijn verjaardag nog eens dunnetjes over. Van Gerard zien we niet veel, want er zijn problemen op de turfstekerei in Punta Arenas, de zuidelijkste stad van Chili. Gerard vliegt steeds op en neer voor een paar dagen. Wel hebben we een gezellige tijd met Monique en de twee moeders. Moeder Riet heeft een nieuwe videocamera voor ons uit Nederland meegenomen, die mijn vader bij haar thuisbezorgd had. Een leuke verassing is dat mijn vader de camera heeft ingewijd met de groeten van thuis.
Chili heeft een aantal vreemde gebruiken. Zo kan ik er nog steeds
niet aan wennen dat ik door wildvreemden gezoend wordt: het
buurmeisje, de kapper, een kennis van Monique die we tegenkomen op
straat…maar de Chilenen hebben het motto dat jouw vriend ook mijn
vriend is. Op 23 november wordt het dan echt tijd om afscheid te nemen van Gerard, Monique en de moeders. We gaan verder zuidwaarts door Chili. Het eerste stuk gaat over de tolweg. Mexico heeft de naam, maar wij vinden de tolwegen in Chili ook erg duur. We bezoeken de souvenirmarkt in Chillán. Veel artikelen hebben we ook al in Bolivia en Argentinië gezien, maar nu zijn ze helaas een stuk duurder. Ik hoop straks in Zuid Argentinië nog een paar mooie gebreide truien te kopen. Chili maakt zich op voor de presidentsverkiezing van december en het straatbeeld wordt in elk dorp vervuild met grote billboards van de kandidaten. Ik hoop niet dat meneer Lanín de nieuwe president wordt, want die heeft zo’n geniepige grijns… We overnachten op een camping bij een prachtige waterval, Salto del Laja. Op de camping stikt het van de pauwen, die ’s nachts in koor naar elkaar roepen. PJ komt tot de ontdekking dat de achterlichten van de camper het niet meer doen (hoe lang al niet?). Er is kortsluiting geweest en de bedrading is helemaal gesmolten. We blijven hier dus nog maar een dagje langer, zodat PJ dit kan repareren.
De volgende dag rijden we naar nationaal park Conguillio, een park waar de grootste verzameling araucaria bomen staan. Deze boom zie je ook wel in Nederlandse tuinen. Het is een boom met driehoekige naaldschubben op de stam en op de takken. Maar in Nederland heb ik deze boom nog nooit hoger dan een meter of tien gezien; hier zijn de oudere bomen wel 50 meter hoog en kunnen 1000 jaar oud worden. Dit is het leefgebied van een 45 cm grote specht, die we hier hopen te zien. Ondertussen is het bewolkt en het ziet er naar uit dat het elk moment kan gaan regenen. Bij de ingang van het park verandert de onverharde weg in een bospad. De slippartijen in Noord Argentinië zitten nog vers in ons geheugen en ik ben het dit keer die niet verder durf. We overnachten bij een mirador, een uitzichtpunt over uitgestrekte lavavelden en de vulkaan Llaima, waarvan we, vanwege de laaghangende bewolking, alleen de voet kunnen zien. Nog geen uur later begint het te regenen, nee te hozen, zelfs met hagel. Ik kan het niet vaak genoeg herhalen dat ik blij ben dat we dat bospad niet hebben genomen. Ondanks de regen is het hier doodstil, geen auto’s, geen vogels en geen ruisende bomen.
De volgende morgen regent het nog steeds. Over een onverharde weg van gemalen lavarotsen rijden we terug naar de bewoonde wereld. De route is prachtig langs oude araucaria bomen en grote struiken bamboe. Bamboe associeer ik altijd met de tropen (onzin natuurlijk, want bamboe gedijd ook goed in Nederland) en de combinatie van die oerbomen met bamboe is heel apart. We besluiten een camping op te zoeken en de hele dag monteren we de video. De regen klettert gezellig op het camperdak.
Ondertussen is het weer opgeklaard en zien we dan eindelijk de actieve Villarica vulkaan. De magmastand in de krater is zo hoog dat je het vanaf de kraterrand kunt zien bubbelen. Dat bewijs hebben wij niet nodig, de rookpluim die uit de mond van de vulkaan komt, is voor ons genoeg. Het is pas 34 jaar geleden dat de laatste uitbarsting was. Het plaatsje Pucón is aan de voet van de vulkaan gebouwd. Hier vinden we een heerlijke camping, vlak bij het centrum, maar wel met weelderige begroeiing en het snelstromende beekje overstemd de autogeluiden. We maken mooie foto’s van de roof- en watervogels die hier leven.
Pucon lijkt op een Europees wintersportplaatsje in de zomer. Namen zoals Hotel Interlaken en Hotel Munich versterken dat beeld alleen maar. De bewoners trekken zich schijnbaar niets aan dat ze zo dicht bij een werkende vulkaan wonen, maar dat denken zij misschien ook van de Hollanders, die onder het zeeniveau wonen…Als het pikdonker is, lopen we het dorpje in om te zien of we weerkaatsing van het borrelende magma in de rook kunnen zien. Heel vaag licht de rook af en toe oranje op, maar echt overtuigend is het niet.
Op 30 november willen we de oversteek over het Andesgebergte maken. We e-mailen Guido en Brenda dat we eraan komen en spreken af op een camping in San Martin. De route gaat halverwege over in een gravelweg. Eerst denken we dat we verkeerd zijn gereden, want onze routekaart geeft niet aan dat de weg onverhard is, maar we zitten toch goed. De weg is soms steil, maar heeft prachtige uitzichten over de Lanín vulkaan. Ook hier groeien weer araucaria bomen, maar nu kunnen we ze fotograferen met een strakblauwe lucht.
We zijn niet meer zo ver van de grens verwijderd, als eerst het controlelampje van de versnellingsbak gaat branden en daarna de motor weer begint te haperen! Is dat probleem nu nog niet opgelost? Nu zijn we al naar twee Dodge garages geweest in twee verschillende landen en nog steeds hebben we hetzelfde probleem. Het zal toch niet aan de Esso diesel liggen? Zuid-Argentinië is een groot, leeg land en we durven niet 2500 kilometer zuidwaarts te reizen met een haperende motor, waarvan we niet weten wat de oorzaak is. We willen niet ergens in het midden van niets stil komen te staan. We besluiten om te draaien en terug te keren naar Pucon. We e-mailen Guido en Brenda onmiddellijk dat we niet komen. We zijn alle vier erg teleurgesteld dat onze trip samen zo abrupt eindigt. PJ heeft het op dit continent nog niet vaak naar zijn zin gehad en wil de camper het liefst terug verschepen. Maar dat vind ik toch een beetje te drastisch. We hebben al veel autoproblemen gehad, vaak zijn we ergens voor niets naar toe gereden, maar ik hoop toch nog steeds dat het straks beter wordt. Na een lang gesprek besluiten we voorlopig in Chili te blijven, want hier is veel dichter bevolkt en de eventuele hulp dichtbij. Misschien gebeurt er wel een wonder bij de volgende Dodge dealer en durven we het toch aan verder te reizen... We besluiten om te keren en terug naar Pucon te rijden. We zijn nogal somber gesteld. Niet zo verwonderlijk: we rijden al sinds Bolivia met een haperende auto en twee bezoeken aan Dodge garages hebben dat niet kunnen verhelpen. Daarom stellen we het bezoek aan een derde garage een week uit, als deze garage ons niet kan helpen, betekent dit echt het einde van deze trip. De omgeving is erg mooi dus hebben nu mooi de gelegenheid deze te verkennen. De Salto el Leon is een waterval die 97 meter valt in een met varen bedekte kom van rotsen. Bij Salta La China overnachten we op de primitieve camping. Deze waterval is iets minder hoog, maar niet minder indrukwekkend. Ik vind vooral het wandelpad ernaartoe erg gaaf, met veel bamboe en varens waar we wel erg nat worden. We kunnen nu zelfs de waterval van bovenaf zien.
De volgende dag rijden we naar Thermas Los Pozones; hete thermale bronnen waar we heerlijk in hete baden kunnen liggen, gemaakt van ronde keien met een bodem van wit zand. We kunnen kiezen uit wel zes verschillende temperaturen, terwijl er vlak langs de snelstromende ijskoude gletsjerrivier raast. We zijn er zo vroeg dat de busladingen met toeristen nog niet gearriveerd zijn en het sfeertje nog sereen is. Bij Ojos del Caburgua zijn nog meer stroomversnellingen en onderaardse poelen die prachtig groen gekleurd zijn. Het valt ons wel tegen dat we voor elke waterbeweging entreegeld moeten betalen. Zo worden deze toeristische bezoekjes wel een dure bedoeling. Terug in Pucon vliegen zwermen groene papegaaitjes over de stad. Jammer genoeg doen ze dit alleen op bewolkte dagen. Maar als de zon schijnt, staat de actieve Villarica vulkaan te schitteren. Ik kan maar geen genoeg krijgen van dat uitzicht.
Verder naar het zuiden, richting de Dodge dealer in Osorno, maken we een uitstapje naar het kustplaatsje Valdivia. Volgens de reisgids is dit het meest aantrekkelijke stadje van Chili. Het valt ons een beetje tegen, dan is bijvoorbeeld Vińa del Mar een veel mooiere kustplaats. Wel leuk is de visafslag, waar enorme zeeleeuwen met hun bek open liggen te wachten op het visafval. Hier is veel toeristische belangstelling voor en als PJ de zeeleeuwen filmt, voelt hij dat iemand hem probeert te bestelen! Ik zeg dat ik hem wel in de gaten zal houden, terwijl hij filmt. Schuin achter PJ staat een keurige jongeman in een gestreken overhemd, broek met vouw en kortgeknipt haar. Terwijl alle toeristen naar de zeeleeuwen en de vismarkt kijken, zie ik de ogen van de man naar PJ’s open (lege) tas kijken, die aan zijn schouder hangt. Ik wacht op het moment dat ik hem op heterdaad kan betrappen, maar blijkbaar voelt hij mijn ogen in zijn rug. Hij kijkt voorzichtig om en we maken oogcontact. Mijn blik spreekt boekdelen, want hij maakt zich snel uit de voeten.
Op 9 december rijden met lood in onze schoenen naar de Dodge garage in Osorno. Gelukkig is er een dame, Paola, die redelijk Engels spreekt en alles voor ons vertaald. Een monteur plugt meteen de computer in de auto en ook hier komt er weer uit de injector van de dieselpomp nagekeken moet worden. De monteur gaat aan de slag en heeft na een halve dag sleutelen de oplossing: de dieselinjector moet vervangen worden en dan zijn al onze autoproblemen voorbij! Helaas is dit onderdeel niet in Chili verkrijgbaar en moet besteld worden in de Verenigde Staten. Dat gaat ongeveer twee weken duren. Wel krijgen we op ons hart gedrukt dat we niet te ver weg mogen te rijden en dat we voorzichtig aan moeten doen. Via de e-mail krijgen we bericht wanneer het onderdeel is aangekomen. We zijn allebei hoopvol dat dit onze reis zal redden en maken al plannen voor de verdere trip. Oud en Nieuw vieren in de meest zuidelijke stad van de wereld zal niet meer lukken, maar we denken toch wel in januari in Zuid Argentinië aan te komen.
We gaan op een camping staan 60 kilometer ten oosten van Osorno en
tien kilometer buiten het dorp Entre Lagos. De camping wordt
gerund door de Duitse Helga. We hebben een mooie plek aan het meer
en de sleutel van een privé badkamer. Op deze camping brengen we
uiteindelijk meer dan een maand door. Het is een grote camping, maar
het is er erg rustig. We hebben dus weinig aanspraak.
De auto krijgt steeds meer moeite met rijden en komt zelfs vrijwel
elke keer het dorpje niet uit zonder dat de motor eerst protesteert
en weigert te rijden. Dus zijn we verplicht zoveel mogelijk op de
camping door te brengen en deze alleen een paar keer per week voor
boodschappen en internet te verlaten. Deze camping zit ook vol met 40 cm grote papegaaitjes, officieel
parkieten genaamd. We genieten van hun geschreeuw dat vooral ’s
avonds aanzwelt tot mega herrie. Een andere tijdverdrijf is het archiveren van onze digitale foto’s (10.000) in de laptop. Met een speciaal programma kunnen we de foto’s van meerdere labels voorzien, zodat we met één druk op de knop bijvoorbeeld alle grizzlybeerfoto’s kunnen oproepen, maar ook bijvoorbeeld onderscheidt kunnen maken in de foto’s genomen in Yellowstone of in Fish Creek. Een tijdrovende klus, zeker omdat onze laptop alleen maar loopt op stroom, met een verfrissend koelelement eronder en een ventilator ernaast! We denken al maanden dat onze laptop het gaat begeven, maar voorlopig werkt hij op deze manier nog steeds.
Het wordt Kerst en wij zitten nog steeds in Entre Lagos. Een
uitgebreid kerstmaal kan ik niet bij elkaar vinden, maar om het toch
nog een beetje feestelijk te maken, maak ik een Tiramisutaart. Met
de ingrediënten moet ik even schipperen, maar hij smaakt goed. De
camping loopt eindelijk vol met dagjesbezoekers die op het zwarte
vulkaanzandstrand liggen te zonnen. We zien dat het kerstmaal van de
Chilenen, een schaap of twee, drie aan het spit en een salade is.
Na twee weken wachten komt dan eindelijk het verlossende
telefoontje. Het bestelde auto-onderdeel in aangekomen in Osorna,
maar het is een ander onderdeel dan ze verwacht hadden! Paola zegt
dat dit niet zo’n probleem is. Ze kunnen dit onderdeel wel plaatsen,
maar het is gecompliceerder en gaat twee dagen duren. Helaas hebben
ze in de garage daar pas volgende week tijd voor. We maken een
afspraak voor maandag 4 januari.
Je kunt je misschien voorstellen dat wij er iets minder vertrouwen
in hebben dat het nu allemaal goed gaat komen. Hoe moeten onze
autoproblemen verholpen worden met een ander onderdeel? We moeten
het dus maar afwachten.
Het meest irritante van het telefoongesprek is dat Paola vraagt waar
we dan maandagnacht gaan slapen.
We hadden nu in Ushuaia willen zijn, de meest zuidelijke stad ter wereld, waar wereldreizigers rond deze tijd samenkomen. Later horen we van reizigers dat er zo’n 100 buitenlandse voertuigen zich verzamelt hebben in Vuurland! Guido en Brenda zijn twee van die wereldreizigers waar we het nieuwe jaar mee hadden willen inluiden, maar dat zit er dus niet in.
Op 4 januari brengen we de camper naar de garage. Binnen vijf uur
zijn ze klaar, dat is inclusief een testrit van drie kwartier.
Gelukkig hadden we dit al ingeschat en geen hotel gereserveerd (en
zeker geen cabaňa bij een meer, Paola) en kunnen we dezelfde avond
op een stadscamping in Osorno overnachten.
Zo kom ik met knallende koppijn in Pucon aan en PJ met een verkrapte nek en rug. Op de camping staan veel reizigers en we maken leuk contact met een de Nederlandse Sarah en haar Ierse vriend. We vieren de reparatie met een Schwarzwalderkirchtorte, onder lekkere invloed van de Duitse immigranten. De Chilenen noemen deze taart eenvoudig: Torta Especial. Nu zijn we klaar om de grens met Argentinië over te gaan. Nog een laatste nacht op de camping bij Helga, die we niet hoeven te betalen. Vol goede moed gaan we op weg, maar dan begint de motor weer te haperen! De moed zakt ons in de schoenen. Toch rijden we door, want ons visum voor Chili loopt bijna af en we moeten dus wel de grens over. We kunnen altijd besluiten over een paar dagen weer terug naar Chili te gaan en dan weer een visum voor 90 dagen aanvragen. © Potgieser 2006 Claudia en PJ
|